Niets te verliezen

Niets te verliezen werd tweede in de schrijfwedstrijd van uitgeverij Verbum Crime - Vrouwenthrillers.nl

‘Waar is ze?’ Ik draai mijn gezicht zenuwachtig alle kanten op. Er zit een jongetje met lichtbruine krullen in de schommel. Zijn haar is iets te lang, flitst door mijn hoofd heen. Twee meisjes bij de glijbaan, nee drie, het zijn er drie. ‘Verdomme, waar is ze?’
Ik probeer rustig adem te halen. Ze heeft zich vast verstopt, daar is ze dol op. Ze is nog nooit weggelopen, nog nooit. Ik loop zo kalm mogelijk in de richting van het houten speelhuisje. Heel vluchtig werp ik een blik op twee moeders die tegen het groene hek aanleunen. Een van hen ken ik vaag van gezicht, haar zoon zit op dezelfde basisschool. Nog vijf passen, nog vier, nog drie, nog twee, nog een. Het houten huisje is leeg. Waar is ze in vredesnaam?

De paniek slaat opeens in alle hevigheid toe. Gehaast draai ik me om en loop met grote passen naar de glijbaan. Hoe kan dit? Hoe kan dit in hemelsnaam? Ik heb twee minuten niet opgelet, hooguit drie. Ze kan toch niet opeens verdwenen zijn? Mijn gezicht beweegt alle kanten op en mijn ogen staan geen seconde stil. Het is nog vroeg, er zijn maar een paar kinderen in de speeltuin aan het spelen. Als een bezetene loop ik heen en weer, maar ze is er niet. Ze is er echt niet. Ik begin te roepen. Eerst zacht, dan keihard. ‘Emma?  Emma waar ben je?’ Ik zoek op plekken waar ik een paar tellen geleden ook al gezocht heb. 
‘Ben je je dochter kwijt?’ Een vrouw met kort rood haar komt met een bezorgde blik naast me staan.
‘Ja,’ zeg ik volledig in paniek. ‘Ik begrijp er niets van. Ze stond bij de schommels en opeens is ze weg.’
‘Hoe ziet ze eruit? Wat heeft ze aan?’
‘Een spijkerbroek met een roze truitje. Ze heeft blond haar en ik heb het gevlochten. Twee vlechtjes, ze heeft twee vlechtjes.’
‘En ze heet Emma?’
‘Ze heet Emma en ze is vier.’
‘Vier?’ herhaalt de vrouw verschrikt.
De tranen springen in mijn ogen. ‘Ze is net vier geworden en ze loopt echt nooit weg, er moet iets gebeurd zijn.’
‘Misschien is ze zelf naar huis gelopen? Woon je hier ver vandaan?’
‘Ik woon hier om de hoek,’ zeg ik op onrustige toon.
‘Anders ga jij bij je huis kijken, dan zoek ik hier verder.’ Haar stem klinkt kalm, maar in haar ogen lees ik een en al onrust.
Zo snel als ik kan, ren ik de speeltuin uit. ‘Emma? Emma?’ gil ik door de straten en mijn stem klinkt hoog en paniekerig. Ik hol de hoek om en staar een tel later tot mijn afgrijzen naar een lege, verlaten stoep. Ze is er niet. Ze staat niet bij de voordeur op me te wachten.
Totaal overstuur ren ik onze straat uit en duik een willekeurige zijstraat in. Emma is nergens te bekennen. Ik kijk achter en zelfs onder auto’s.  Ik  ren naar de overkant en hol zigzaggend weer terug. Ik heb werkelijk geen idee hoe lang ik door mijn buurt heen ren, maar uiteindelijk vlieg ik volledig bezweet de speeltuin weer in.
Ik zie de vrouw met het rode haar op een bankje zitten, ze is druk in gesprek met een andere moeder. Ze schrikt als ze me ziet en staat gehaast op. Waarom zit ze? Waarom zoekt ze niet, denk ik geïrriteerd.
‘Heb je haar gezien?’ vraag ik volledig gestrest en ik ren zo snel mogelijk op haar af.
‘Nee,’ zegt ze op fluistertoon en ze pakt voorzichtig mijn hand beet. ‘Misschien kun je beter naar huis gaan,’ klinkt het aarzelend.
‘Ze was niet bij ons huis,’ roep ik uit en mijn ademhaling is onrustig en gejaagd.
‘Je kunt beter naar huis gaan,’ zegt ze nogmaals. Ze vermijdt mijn blik en haar stem klinkt bijzonder ongemakkelijk.
‘Ze is niet thuis,’ antwoord ik wanhopig. ‘Ik heb overal gezocht, ik ben alle straten doorgerend.’ Ik wil me omdraaien om verder te zoeken, maar ze laat mijn hand niet los.
‘Ik begrijp dat het moeilijk voor je is, maar je kunt echt beter naar huis gaan. Zal ik je man even bellen?’ Haar ogen stralen een en al medelijden uit.
‘Ben je doof? Ze is niet thuis,’ gil ik vol ongeduld en ik trek mijn hand los.
‘Bel je man en ga naar huis,’ klinkt het nogmaals en ik zie opeens dat ze waterige ogen heeft. Ongemakkelijk draait ze zich om en loopt terug naar het bankje. Ik zie dat ze een blik uitwisselt met de vrouwen die tegen het hek aanleunen. Wat is dat voor blik? Waarom wil ze per se dat ik naar huis ga? Wat verbergt ze?
Ik ren haar achterna en grijp haar arm beet. ‘Heb je haar gezien? Mijn dochter? Weet je waar ze is?’
‘Ga naar huis, Ingrid,’ zegt ze op zachte toon.
‘Ingrid?’ herhaal ik met een bonkend hart. ‘Je kent mijn naam? Waarom ken je mijn naam?’
‘Je doet me pijn,’ zegt ze en ze probeert haar arm los te rukken. Ik verstevig mijn greep en schud haar hysterisch heen en weer. ‘Waar is mijn dochter? Wat heb je met haar gedaan?’ krijs ik wanhopig uit. ‘Mama, mama,’ hoor ik opeens naast me. Het jongetje met de lichtbruine krullen staat volledig in paniek naar ons te kijken en er druppelen dikke tranen langs zijn wangen naar beneden. Hij steekt zijn handen uit naar zijn moeder.
Ze trekt met geweld haar arm los uit mijn greep en tilt haar zoontje op. ‘Er is niets aan de hand, lieverd,’ zegt ze zo kalm mogelijk en ze draait zich gehaast om en loopt met grote passen de speeltuin uit. Ik sta een paar seconden vastgenageld aan de grond. Iedereen kijkt naar me. Iedereen staart me aan. Een vrouw met lang donkerbruin haar komt op me aflopen. Ik doe net alsof ik het niet zie en ren haar straal voorbij. Ik heb geen seconde te verliezen. Waar is dat mens gebleven?
Als ik de speeltuin uit ren, zie ik haar aan de overkant haar fiets losmaken. Ze ziet me en versnelt haar bewegingen. Ik wil de weg oversteken, maar er komen twee auto’s aan. Verdomme, verdomme, schiet op.
‘Wacht,’ gil ik naar de overkant terwijl ik tot mijn afgrijzen zie dat ze haar zoon op het achterzitje zet en op haar fiets springt.

‘Wacht,’ krijs ik nog een keer, ditmaal hysterisch. Ik ren de straat over en struikel bijna over de stoeprand. Ze zit inmiddels op haar fiets en trapt zo hard als ze kan. Haar zoontje kijkt paniekerig achterom en begint angstig te gillen. Ze gaat veel te hard. Ik ren de longen uit mijn lijf, maar ze is te snel voor me. Niet opgeven, Ingrid. Niet opgeven. Ze verbergt iets voor je. Ik krijg bijna geen lucht meer. Ik hou het niet vol, ik kan niet meer. Ik kan echt niet meer.
Ik kom hevig hijgend tot stilstand. Volledig gestrest zie ik de afstand tussen mij en de fiets groter en groter worden. Ik spring als een kat de weg op. Een kleine rode auto weet nog net op tijd te remmen.  ‘Je moet me helpen,’ roep ik wanhopig uit. ‘Die fietser, je moet die fietser volgen.’ Een jonge vrouw staart me geschrokken aan en rijdt vervolgens luid vloekend door. ‘Waarom stop je niet?’ gil ik hysterisch en ik probeer een andere auto te laten stoppen. Hij ziet me niet. Hij ziet me niet, verdomme. Hij is te druk bezig met bellen. ‘Eikel, kijk dan,’ roep ik verslagen uit terwijl ik tegelijkertijd begin te rennen. Mijn lichaam wil niet meer, maar ik ren op pure wilskracht verder.
Paniekerig tuur ik naar het einde van de straat, maar dan staat mijn hart plotseling heel even stil. Ze is weg. De vrouw met de rode haren. Ik zie haar niet meer. Waar is ze gebleven, verdomme?
Eric. Ik moet Eric bellen. Of de politie. De politie moet komen. Nu. Gestrest zoek ik mijn tas met daarin mijn mobieltje. Mijn tas is weg. Shit. Waar is dat ding? Ben ik hem vergeten in de speeltuin? Aan de overkant van de straat loopt een jongen van een jaar of zestien. Ik ren zo hard als ik kan naar hem toe. Hij schrikt als hij me ziet, maar blijft wel stilstaan. ‘Heb je een telefoon?’ vraag ik en ik hap naar lucht.
‘Hoezo?’
‘Ik moet mijn man bellen. Mijn kind is weg. Iemand heeft haar meegenomen.’
De jongen staart me aarzelend aan en brengt vervolgens zijn hand naar zijn jas. Hij trekt een klein zwart mobieltje uit zijn zak.
Met trillende vingers tik ik Erics telefoonnummer in. Twee twee twee, zes zes twee,’ mompel ik en ik druk het mobieltje tegen mijn oor aan.
‘Met Eric van Vliet,’ klinkt het zakelijk.
‘Met mij,’ roep ik uit. ‘Emma is weg. Een vrouw in de speeltuin weet er meer van. Ze wist mijn naam. Ik ben haar achterna gerend, maar ze was op de fiets. Ik kon haar niet bijhouden, ze..’ Mijn stem breekt en ik begin hevig te snikken.
'Ingrid? Ingrid waar ben je nu?’ klinkt het bezorgd.
‘Op de Langelaan. Ik sta op de Langelaan. Wacht. Ik zie haar. Ik moet ophangen. Bel de politie.’
‘Waar zie je haar? Waar ga je precies heen?’
‘Kamilleplein,’ antwoord ik kortaf en ik druk de telefoon in de handen van de jongen.
Zo snel mogelijk ren ik de stoep over. Als ik de hoek om stuif, zie ik nog net hoe ze aan het einde van de straat de voordeur achter zich dichttrekt. Op van de zenuwen loop ik naar haar huis toe. Wat zal ik doen? Aanbellen? Wachten op de politie? Ik sta aarzelend stil en staar naar haar bruingelakte voordeur. Misschien kan ik beter op de politie wachten. Eric heeft ze ongetwijfeld gebeld, ze kunnen hier elk moment zijn.
Maar dan hoor ik haar opeens. Haar gehuil herken ik uit duizenden. Emma. Lieve kleine Emma, mama is hier. Ik onderdruk uit alle macht de neiging om luid gillend op de voordeur te bonzen. Ik wil geen aandacht trekken. Wie weet waar ze toe in staat is? O, mijn god. Ze heeft Emma. Dat geschifte mens heeft mijn kleine Emma.
Een tuin. Ze heeft vast een tuin, denk ik volledig in paniek en ik tel het aantal huizen tot aan de hoek van de straat en duik een kleine zijingang in.  Een, twee, drie, vier, vijf, zes. Ik sta stokstijf stil. Tuin zeven. Dit is haar tuin. Voorzichtig gluur ik om het hoekje. De woonkamer is helemaal leeg. Waar is ze? Is ze boven? Ik sluip als een dief in de nacht de tuin door. Heel zachtjes duw ik de deurkruk omlaag. Gelukkig, hij zit niet op slot. Tergend langzaam trek ik de tuindeur naar me toe. Op mijn tenen schuif ik de woonkamer in. Het angstzweet breekt me aan alle kanten uit en ik heb moeite om mijn evenwicht te bewaren. Ik hoor gestommel boven me, gekrijs, voetstappen. Mijn ogen zijn wijd opengesperd en de adrenaline jaagt als een sneltrein door mijn lijf. Ik zet voorzichtig een stap naar voren en sta vervolgens aan de grond genageld van schrik. De angst slaat me om mijn hart. Emma’s Jip en Jannekes kaplaarsjes liggen in de gang. Eentje ligt er vlak bij de voordeur, maar de ander ligt op de eerste traptrede, alsof ze hem verloren is toen ze de trap op werd gesleurd.
Opeens wordt het me te veel en ren ik als een bezetene de keuken in. Ik trek volledig gestrest een la open en haal een vlijmscherp vleesmes tevoorschijn. Met een oerkreet waar ik zelf van schrik, vlieg ik de trap op. ‘Emma?’ gil ik volledig in paniek. ‘Emma? Waar ben je lieverd?’ Ik trap een deur open en sta plotseling oog in oog met de vrouw uit de speeltuin. Ze begint vrijwel meteen te gillen en zet een stap achteruit. ‘Waar is Emma?’ krijs ik en ik zwaai dreigend met mijn mes.
‘Ik heb je dochter niet, echt niet.’ Haar stem klinkt hoog en trillend. ‘Julian, blijf daar lieverd,’ roept ze uit en ik draai me om en zie haar kleine zoontje met grote ogen naar ons staren. Hij wil zich omdraaien en zijn kamer in vluchten, maar ik grijp hem bij zijn arm en trek hem  naar me toe.
‘Ik vraag het nog één keer,’ schreeuw ik hysterisch. ‘Je zegt me nu waar Emma is of ik.. of ik..’  Ik breng het mes gevaarlijk dicht naar de keel van het kleine ventje. ‘Emma?’ gil ik tegelijkertijd uit. ‘Mama is hier. Je hoeft niet meer bang te zijn.’
‘Je dochter is hier niet,’ klinkt het wanhopig en ze probeert haar zoon bij me weg te trekken. Ik steek zo hard als ik kan met mijn mes in haar arm en trek haar zoontje nog wat dichter tegen me aan. Hij begint hysterisch te krijsen en zijn moeder staart volledig in paniek naar haar bebloede arm.
‘Wat heb je met Emma gedaan?’ gil ik minstens zo hysterisch. ‘Waar is ze?’
Ik sleur haar zoontje met me mee de gang in en schop de deur van een aangrenzende kamer open. Emma is nergens te bekennen. ‘Emma?’ schreeuw ik zo hard als ik kan en ik duw de badkamerdeur open. ‘Popje, waar ben je?’ 
Het kleine jochie is nog altijd aan één stuk door aan het gillen. ‘Daar blijven,’ schreeuw ik naar zijn moeder en ik zwaai alle kanten op met mijn mes.
Ik sleep het jongetje mee de trap op. ‘Emma,’ gil ik nogmaals terwijl mijn mes rakelings langs de keel van het jongetje schuurt.
De zolder staat vol met kasten, dozen en wasrekken. Wanhopig staar ik om me heen. Wat heeft ze in vredesnaam met mijn kind gedaan? Ze moet hier ergens zijn. Ik schop in blinde paniek een aantal dozen omver. ‘Emma, Emma waar ben je?’ krijs ik zo hard als ik kan.
Het jongetje houdt opeens op met gillen en zakt in elkaar. Als een slappe pop laat ik hem op de grond vallen. Zijn gezicht ziet bleek en nat van de tranen, maar hij ademt wel gewoon. De spanning is hem blijkbaar te veel geworden. Zijn moeder begint keihard te gillen en rent de trap op. ‘Wat heb je met hem gedaan?’ krijst ze uit en haar blik straalt één en al angst uit.
‘Ik heb niets met hem gedaan, hij is flauwgevallen.’
Ze zet een pas in zijn richting en ik maak een dreigende beweging met mijn mes om haar op afstand te houden. Ze stopt en staart me met grote, paniekerige ogen aan. ‘Je dochter,’ zegt ze stamelend.  ‘Emma is bij het veldje bij de treinbaan.’
Ik staar haar verbijsterd aan. ‘Het Akkerweideveldje bedoel je?’
‘Ja, dat veldje bedoel ik,’ zegt ze met een gespannen gezicht. ‘Mijn man heeft haar daar achter gelaten.’
‘Je man?’ krijs ik panisch en ik voel het bloed in sneltreinvaart uit mijn gezicht wegtrekken.
‘Wat heeft die gore klootzak met haar gedaan?’
‘Ze leeft nog. Ze is bij het veldje.’  De vrouw knielt neer naast haar zoon en trekt hem snikkend tegen haar aan.
‘Het veldje,’ mompel ik verdwaasd en ik ren zo snel als ik kan de trap af. Waar blijft de politie verdomme, denk ik volledig in paniek. Als ik de voordeur wil opentrekken, valt mijn oog opeens op het vleesmes dat ik nog altijd krampachtig beet heb. Ik smijt het de gang door en trek de deur open. In de verte hoor ik het geluid van loeiende sirenes.
Door een waas van tranen ren ik de straat uit. ‘Ik moet eerst naar links en dan het bruggetje over,’ mompel ik tegen mezelf. Emma, mijn lieve, lieve poppetje. Mama komt eraan.
Als het treinspoor in zicht komt, bonkt mijn hart bijna uit mijn lijf. Ik ben er bijna, bijna. ‘Emma,’  gil ik vanuit mijn tenen. ‘Mama is er, je hoeft niet meer bang te zijn, liefje.’
Ik glijd bijna onderuit als ik het bruggetje met een noodvaart over schiet. Ik zie gras, ik zie struiken, zand, een houten bankje, bomen.  ‘Emma,’  krijs ik zo hard als ik kan. ‘Emma, waar ben je?’

Misselijk van angst ren ik het veldje door en duik de struiken in. Venijnige takken zwiepen tegen mijn benen aan, maar het deert me niet. ‘Emma,’ brul ik wanhopig uit en ik veeg de tranen van mijn gezicht af.
Het geluid van loeiende sirenes zwelt aan. Ze komen hierheen, denk ik gelaten, maar ze is hier niet, ze is hier niet. Wat heeft die gestoorde gek met haar gedaan? ‘Emma,’ schreeuw ik radeloos uit en ik laat me wanhopig op mijn knieën vallen. ‘Ik weet niet waar ze is,’ snik ik vol wanhoop.
‘Ingrid? Ingrid waar ben je?’ hoor ik Eric plotseling dodelijk ongerust schreeuwen.
‘Ik ben hier,’ roep ik terug en ik sta op en draai me in de richting van het geluid. Eric komt aangerend met achter hem een hele lading agenten. Ze hebben hun wapens getrokken, maar verminderen vaart als ze zien dat ik de enige ben op het veld.
‘Ze is er niet,’ schreeuw ik wanhopig naar Eric. ‘Ze zei dat ze hier was. Ze zei dat Emma hier was,’ snik ik volledig overstuur. ‘Maar ze is er niet. Ze is weg, Eric, ze is weg.’
‘Lieverd, rustig nou,’ zegt Eric met een angstige blik in zijn ogen. Hij slaat zijn armen om me heen en trekt me naar zich toe.
Met tranen in zijn ogen veegt hij mijn haar uit mijn gezicht en staart me recht in mijn gezicht aan. Ik open mijn mond om iets te zeggen, maar hij is me voor. ‘Ingrid, ze leeft niet meer. Emma is dood, ze..’ Hij breekt zijn zin af en wordt overmand door emoties.
Het voelt alsof ik een keiharde stomp in mijn maag krijg. Ik hap naar lucht en grijp zijn arm beet. Er ontsnapt een angstaanjagende kreun uit mijn lijf.
‘Weet je het niet meer?’ Eric staart me door zijn tranen heen aan. Zijn stem klinkt zacht en beschermend.
‘Ze is overleden, lieverd. We hebben haar begraven. Ze ligt in een wit kistje met een klein vlindertje erop. Ze..’
‘Emma,’ fluister ik door een waas van tranen en ik voel me plotseling licht in mijn hoofd worden. Warrige, onsamenhangende beelden schieten door mijn hoofd heen. Ik hoor een zware galmende stem:  Het spijt me vreselijk. We hebben alles gedaan wat we konden, maar ze heeft het niet gered.’
Emma, mijn kleine, mooie, lieve poppetje. Aangereden op de stoep door een dronken imbeciel. Ik heb geen afscheid kunnen nemen, ik heb haar niet kunnen vertellen hoeveel ik van haar hou. ‘Ze is dood,’ fluister ik wanhopig en ik staar in het bleke gezicht van Eric.

‘Alles komt goed, lieverd,’ fluistert hij bezorgd. ‘Je bent in de war, maar ze gaan je weer helemaal beter maken. Ik zal voor je zorgen, ik laat je niet in de steek.’
‘Emma is dood.’ Mijn stem klinkt broos en krachteloos. Gelaten sluit ik mijn ogen en zie mijn kleine prachtige meisje voor me. Ze lacht naar me, ze roept me. Ze steekt haar beide armpjes naar me uit en rent zo hard als ze kan naar me toe. ‘Je bent de liefste mama van de hele wereld en ik hou zoveel van je als.. zoveel als de hele wereld en weer terug,’ giechelt ze en ze drukt haar kleine wangetjes tegen mijn gezicht aan. Ik til haar in de lucht en druk haar stevig tegen me aan. ‘Ik hou van je, liefje,’ fluister ik zachtjes in haar oor.
‘Ingrid, waar ga je heen?’ Eric pakt mijn hand beet en staart me bezorgd aan.
‘Ik kom zo,’ fluister ik. ‘Ik moet heel even alleen zijn, heel even.’
Eric werpt me een vertwijfelde blik toe. Ik glimlach naar hem en streel zachtjes over zijn arm. ‘Vijf minuutjes.’
Hij knikt gelaten en ik kijk toe hoe hij langzaam het veld oversteekt en naar de agenten loopt. Als in een roes loop ik in de richting van het spoor. Mijn hart begint sneller te kloppen. Hij komt dichterbij. Ik hoor het. Ik stop en sta zo kalm mogelijk stil langs de spoorbaan. Ik sluit mijn ogen en luister gespannen naar het aanzwellende geluid van de naderende trein.
‘Ingrid, niet doen,’ hoor ik Eric opeens panisch gillen.
Het geraas van de trein is oorverdovend. Ik steek mijn armen uit en er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. ‘Mama komt Emma, mama komt.’
 

Reacties

Niet echt wat ik verwachte nadat ik je blog op Dizzie las, over je eerste nieuwe chicklit boek "Geloof mij maar" .........

En een hele prettige verrassing wil ik even kwijt, ik lees namelijk zo goed als geen chicklit...

Geweldig, dank je wel. Het verloop kon je zien aankomen maar de paniek en verwarring was zo goed voelbaar, ik had echt met hen te doen. S6 met je boek :-)

Reactie toevoegen